
Sinds Shakespeare toch het ultieme symbool van schoonheid. ...
Het is verleidelijk om de schoonheid van de natuur te bezingen. Geurende bloemen, kleurige ijsvogels, een rustiek plasje om de voeten in te laten bungen – het is schitterend allemaal. De standaard wordt gezet door adembenemende BBC-documentaires en listige TV-spotjes. Met als ultiem geluk het harenwassen in rivieren en vrolijke gezinnen die tussen oogstrelend groen de hele dag boter smeren.
Maar kwallen, spinnen of spoelwormen, dat is andere koek. En wat te denken van het bacterieprutje in uw afvoer of slakken die op straat drollen opsmikkelen? Puur natuur, maar mooi is anders. Richard Attenborough vertelde dat sommige filmbeelden nooit worden uitgezonden, bijvoorbeeld van schattige kleine antilopes die na een aanval van leeuwen met hun darmen buiten hun lichaam naar moeder vluchten. Niet alle natuur is mooi.
Heel lang geleden dacht Plato dat schoonheid wordt opgeroepen door de mate waarin iets lijkt op een soort voorgeprent ideaalbeeld in onze ‘gedachtenwereld’. Dat klinkt wel logisch. Ik heb bijvoorbeeld vakantiefoto’s waarop ik onder een palmboom op een parelwit tropisch strand zit, met een helder blauwe zee daarachter. Hoe meer het plaatje lijkt op wat we kennen als vakantie-ideaal, des te mooier is het. Kennelijk hebben we dus een ideaalbeeld in ons hoofd. Maar waar komt dat ideaalbeeld dan weer vandaan? Krijgen we bij onze geboorte een gratis voorraadje mee?
Sommigen denken van wel. Zo is er onderzoek gedaan naar onze voorkeuren voor arcadische landschappen (in Nederland o.a. Freek Couterier). De verklaring voor die voorkeur werd gezocht in diepere biologische drijfveren. De landschappen beantwoordden aan een oergevoel, een herinnering uit de tijd dat we nog jagers-verzamelaars waren. Zo’n landschap bood genoeg voedsel en schuilplaatsen voor een onbekommerd bestaan, en de bewoners hadden een grotere overlevingskans. Op dezelfde wijze droegen gevoelens van affectie voor kleine wezens met grote onschuldige baby-ogen bij aan het voortbestaan van nieuwe generaties mensen. Onze liefdes- en lustvoorkeur voor mooie, symmetrische mensen hielp om dat nageslacht zo gezond en sterk mogelijk te maken. Afkeer en angst passen keurig bij dit idee: bittere smaken, schimmels, dode en mismaakte wezens, poep en afval beloven vooral ziekten, dood en ellende. Het mooie is gericht op datgene wat de mens doet overleven.
Deze voorkeuren werken ver door. Collega Edo Knegtering promoveert komende week op een onderzoek naar onze voorkeuren voor kleurige, grote en schattige dieren in onze natuurbescherming, The Featheries and the Furries. Veel organisaties geven aan zich vooral op ‘aaibare dieren’ te richten. En de overheid, die luistert naar het volk en doet vrolijk mee. Een overheid die pluizige en kleurige wezentjes beschermt is dus okee. Maar een overheid die onooglijke, twee millimeter grote zeggekorfslakjes beschermt, en daarvoor zelfs de aanleg van wegen uitstelt, die heeft heel wat uit te leggen aan automobiel Nederland. Internationaal communicatie-onderzoek heeft een flinke rij voorkeuren ontdekt: grootte, kleur, vacht, het bezit van ruggengraat en kinderlijke gezichtjes, de mate waarin een dier op een mens lijkt, predator-gedrag, competitie met de mens, economische waarde, sociale leefwijze… noem maar op.
Stel, je ben als vrolijk gezin druk bezig met boter smeren in het groen en ziet opeens een schattig konijntje. Wat zie je eigenlijk? Volgens de filosoof Kant zien we alleen maar onze eigen gedachten. Hij stelt dat we de wereld om ons heen alleen kunnen zien doordat we al voorgeprogrammeerde ideeën hebben van wat we verwachten te zien. De stroom signalen van onze zintuigen krijgt slechts betekenis omdat we hebben geleerd daar betekenis aan te geven. Zoals een baby leert dat die vage vlekken en dat gekroel aan het lijf ouders met voedsel worden. Of nou ja, het zijn natuurlijk geen ouders, maar het is handig voor de baby om te denken dat het ouders zijn. En als het een heel leven lang handig blijkt om zo te denken, dan nemen we het op gegeven moment vanzelf voor waar aan. We denken dat onze ouders bestaan.
De theorie van Kant verklaart waarom mensen verschillende dingen mooi kunnen vinden. Als u naar mijn vakantiefoto op het strand kijkt, dan ziet u een plek waar u naartoe wilt, en liefst vandaag nog. U denkt dat die plek ontspanning biedt, en ontsnapping aan uw hectische bestaan. Als ik naar dezelfde foto kijk, dan zie ik in gedachten de armoede van de mensen in het dorp, en de afbraak van het koraalrif onder water omdat de vissers met dynamiet hebben gevist, en de toeristenhotels die om de hoek van de baai staan. Onze interpretatie verschilt, en onze waardering ook.
En hoe ‘werkt’ dat toekennen van betekenis dan precies? Ik denk: via emotie of gevoel. Geen idee of daar ook onderzoek naar is verricht. Het lijkt domweg logisch dat de evolutie een mechanisme heeft verzonnen waarbij tijdens het waarnemen, gelijktijdig met de rationele toekenning van betekenis, een parallel systeem in werking wordt gezet dat gevoel oproept. Een soort reflex. Zoals je je hand terugtrekt uit een vlam nog vóórdat je hebt ontdekt dat het pijn doet, en lang voordat je de betekenis van je smeltende huid rationeel hebt geduid. Zo is je hele lichaam al in een staat van euforie, nog vóórdat je hebt bedacht dat dat het arcadische bloemenlandschapje misschien wel een geschikte plek is om voedsel te zoeken.
Zijpaadje. Angst, boosheid en pure haat zijn ook emoties, duistere emoties (normatief, ik weet het, maar ethiek en esthetiek liggen in elkaars verlengde). Kunnen duistere emoties ook aan de basis liggen van zo’n ‘mooi’ gevoel? Jazeker. Begin vorige eeuw verloor de kunstwereld zich in een hijgerige opeenvolging van vernieuwende stromingen. Die vernieuwing kon natuurlijk niet eeuwig doorgaan, en toen alle ideeën waren bedacht richtten de kunstenaars zich op het shockeren van het publiek. Het bleef eerst nog netjes, met lege muren, lege tonelen en concerten van stilte. Maar uiteindelijk ontaardde de zoektocht naar het grensoverschrijdende in foto’s van martelingen, het vermalen van vissen in een blender en een show van ontlede lichamen van geëxecuteerde Chinese gevangenen. Horror en pulp hebben cultstatus. Het is toegestaan te zwelgen in duistere emoties, in de schoonheid van het slechte.
Maar wacht eens… Zijn al die gevoelens wel van onszelf? Beslissen wij zelf wat mooi is? Natuurlijk niet. Reclames buitelen over elkaar heen om onze individuele keuzevrijheid te benadrukken, maar de waarheid is dat mooiheid grotendeels een groepsnorm is. Graatmagere fotomodellen, kubistische schilderijen en de laatste uitvoerig van het Nationale Ballet – het gevoel dat ze oproepen wordt grotendeels bepaald door de manier waarop wij daarover met anderen van gedachten wisselen. Noem het mode, ja. Of iets eerbiediger: cultuur. Ook dat biedt evolutionair voordeel: iemand die zich conformeert aan de groepsnorm heeft een grotere kans te overleven dan iemand die door de groep wordt uitgestoten. Nietsche heeft in ronkende volzinnen beschreven hoe hij de wereld ziet als een verzameling van betekenissen die we hebben toegekend met daarachter een soort drijvende kracht die tot uiting moet (‘wil’) komen. En die voortdurend met andere krachten in conflict is. Wat wij zien, of wat wij denken te zien, is een resultaat van macht. Onbewuste macht, zoals kinderen die op het schoolplein zeggen dat roze veel mooier staat bij een meisje. Bewuste macht, zoals een inwoner van Leiden die prachtige zilvermeeuwen betitelt als schreeuwerige schijtmachine’s. Misschien heeft onze voorkeur voor arcadische landschappen dus niets te maken met herinneringen aan onze jager-verzamelaartijd. Misschien heeft het gewoon te maken met herinneringen aan de dominante cultuur van landschapsschilderijen, die een reactie waren op maatschappelijke ontwikkelingen.
Zo gaat dat dus met die natuur. Het mooie zit hem in de ideeën die wij al hebben, en die ons van buiten worden opgelegd. We denken dat natuur mooi is, omdat dat voortdurend wordt bevestigd vanuit specifieke gezichtspunten, met specifieke doelen. Vakantienatuur. Natuur om je haren in te wassen. Natuur om bijzonder snel en soepel doorheen te rijden.
Voor de aardigheid had ik een foto gemaakt van een roos. Sinds Shakespeare toch het ultieme symbool van schoonheid. En – in het licht van bovenstaande – wat een verrassing toen ik deze week Hans Achterhuis las. In ‘Natuur tussen mythe en ethiek’ beschrijft hij de roos als iets geheel anders. Als een hoog-technologisch product, geurloos, maar met exact de juiste kleur, in eindeloze gelijkvormige rijen geproduceerd met grote precisie, aan het infuus met kunstmatige voeding, op steenwol, in gesloten systemen, vrij van bacteriën en andere nare natuurlijke invloeden. Pseudo-natuur die niets te maken heeft met wat traditioneel natuur heette. Ofwel: ”De roos als het einde van de natuur.”
Tjonge… Schoonheid is ook niet meer wat het was.