Plastic panda’s heet het laatste boek van volksfilosoof Bas Haring. Van vorig jaar al, maar ik heb het pas vorige week gelezen. Schitterend geschreven natuurlijk. Ik denk dat de schrijver oprecht verbaasd is over de felheid van de reacties.
Waarom dit boek?
Laat ik beginnen met de hamvraag. Waarom dit boek? Ik bedoel natuurlijk: anders dan eenvoudig om plagerige boeken te verkopen?
De schrijver wil oprecht, zonder verborgen agenda, op een rijtje krijgen hoe het zit. Als de natuurlobby “niet uitlegt waarom de natuur en al die plant- en diersoorten ertoe doen, dan kan het krediet inenen verdwenen zijn” (pp.11-12). Daarin lijkt zich een soort missie te verbergen: Ik wil het uitleggen, zodat het krediet niet wordt verspeeld. Vervolgens is de kernboodschap ‘ik vind het uitsterven van soorten niet zo erg’. Deze boodschap draagt weinig bij aan het opbouwen van dat krediet. De schrijver wil iets anders, maar wat?
Misschien zit het in de zin: “We zitten onszelf dwars met de plicht die we voelen om het bestaande te bewaren.”(p.225). Hoe we onszelf dan dwarszitten, wat daarvan het probleem is, en waarom dat moet veranderen, dat wordt niet duidelijk. Ik kan wat verzinnen, maar dat is mijn fantasie.
Misschien wil de schrijver mensen helpen om wat minder somber naar de toekomst te kijken. Wil hij ze een hart onder de riem steken, een versterkende boodschap geven, zo van: ‘Ja het is waar, er zullen nog veel soorten verdwijnen, maar weest gerust, want we hebben mooie boeken en muziek (p.13), elektriciteitsmasten en andere artefacten (p.215) en Bollywoodfilms (p.226).’ De schrijver: “Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat de aarde er lelijker of slechter op wordt als er soorten verdwijnen”(p.225).
Speelt de schrijver een spelletje? Wil de schrijver met opzet provoceren, als een Socrates die met ons meeloopt en aan het denken zet zodat we zelf tot de conclusie komen waarom natuur waardevol is? Spielerei. Plagen, jennen. Een hint in die richting wordt gegeven (p.11): “Ik vind het vooral van belang om de juiste argumenten te horen of te vinden.” Maar juist het punt waar het dan om zou moeten draaien – de waarde die we aan de natuur toekennen – wordt terzijde geschoven. Het kán niet zo zijn dat soorten waarde hebben omdat er geen logische argumenten voor zijn.
Misschien zoek ik er te veel achter, en is werkelijk het enige dat de schrijver wil zeggen: het is niet zo erg als er een paar soorten verdwijnen. Dat klopt. Niemand houdt van het pokkenvirus, van teken, van steekmuggen. De vraag ‘Is het zo erg als het korhoen uit Nederland verdwijnt?’ wordt ook geregeld gesteld.
Wat moeten we nu doen?
“Maar dát een zekere verscheidenheid waarde heeft lijkt mij buiten kijf” (p.90), stelt de schrijver. Hoeveel of welk verlies acceptabel? Welke soorten mogen we rustig laten uitsterven, welke niet? Moeten we producten met een eco-keurmerk kopen, of niet? Mag ik dit oerwoud kappen om te ontginnen voor voedselproductie of niet?
Er lijkt een soort van antwoord te komen als de schrijver aangeeft dat we met ‘mededogen en verstand van zaken’ (p.185) ofwel ‘rationeel en met kennis van zaken’ (p.228) de wereld moeten beetpakken en vormgeven. We moeten er ‘verstandig’ (p.172) mee omgaan. Logisch, want niemand wil irrationeel, zonder kennis van zaken of onverstandig handelen.
houd van soorten
Ik houd van soorten. En als ik dit zeg, dan bedoel ik natuurlijk niet het pokkenvirus. U begrijpt wel wat ik bedoel. Ik vind een weiland met grutto’s en wezels en koekoeksbloemen leuker dan een weiland zonder.
Ik weet dat soorten in het wetenschappelijk discours een sociaal construct zijn. Mijn bankrekening is dat ook, net als alle andere bankrekeningen ter wereld, en toch zijn al die bankrekeningen sturend voor ons handelen – zeker in deze tijden van economische crisis. De meeste mensen kijken niet naar soorten door een wetenschappelijke bril. Ze kijken naar soorten zoals ze zich aan hen voordoen als ervaring. Soorten zijn ‘intuïtief’ (p.32). We vertalen de dingen die we zien naar begrippen, hokjes. Dat begint al als we heel jong zijn. We leren: dit is een boom, en dat is een poes. Een boom is geen poes. Een boom miauwt niet, en een poes bloeit niet. Als we ouder worden maken we onderscheid tussen merels en meeuwen. En als we ons verder verdiepen kunnen we nog veel meer onderscheid maken: Audouins meeuwen, kleine en grote mantelmeeuwen, Ross’ meeuwen en zo. Soorten zijn een belangrijke basis om naar de levende natuur te kijken, om deze te kunnen zien. Probeer je maar eens een levende natuur voor te stellen zonder soorten daarin. Dat is best moeilijk.
Soorten zeggen iets over de omgeving waarin ze voorkomen. Enerzijds als indicator van de toestand, en anderzijds als vertegenwoordiger, als beeld daarvan. Als ik roep: ‘Brandnetels en bramen…!’, dan zullen sommige natuurliefhebbers antwoorden: ‘Poep!’ Brandnetels en bramen groeien namelijk op voedselrijke plaatsen, zoals de bermen langs de paden waar iedereen zijn honden uitlaat. Als ik roep: ‘Ortolaan,’ dan zullen sommige natuurliefhebbers antwoorden: ‘Uitgestorven als broedvogel in Nederland, door verdwijnen van karakteristieke landschapselementen in het landelijk gebied.’
Als we zeggen dat we soorten willen behouden, zeggen we soms nog veel meer. Dat we iets levends, iets spontaans willen. Iets dat te maken heeft met de oorsprong van ons bestaan, met heelheid van de schepping. Dat we een gezonde, mooie, fijne, zinvolle wereld willen om in te leven. Andere mensen zeggen misschien hetzelfde over schilderijen. Of toneel. Of een HD-tv. Of een villa met jacht.
Ethiek en basiswaarden
In één van de interviews naar aanleiding van de publicatie reageerde de schrijver op de felheid van de reacties. De exacte woorden staan me niet meer bij, maar het was in de trant van: ‘Voor veel mensen is er geen discussie mogelijk. Soorten zijn belangrijk en daarmee uit. Het lijkt wel een geloof, een religie.’ Ja maar dat is het natuurlijk ook! Het woord ‘geloof’ wordt vaker in deze context gebruikt (bijvoorbeeld bij Rypke Zeilmaker), en krijgt dan al snel een negatieve lading van onnadenkendheid en slaafs volgen.
Bij soortenbehoud gaat het vaak om ethische vragen. Ethiek is een tak van de filosofie die zich bezig houdt met vragen over de moraal, goed en fout, juist en onjuist. Ik ben geen ethicus, maar heb vernomen dat mensen bij ethische kwesties onmiddellijk een intuïtief oordeel klaar hebben, nog voordat dit is beargumenteerd. Ethische vragen doen een beroep op morele basisprincipes of morele basiswaarden. Zoals respect voor leven, zorg voor elkaar, veiligheid. Mensen gebruiken deze waarden voor fundamentele gedragsnormen – normen die niet zomaar even rationeel worden beargumenteerd, maar waarvan mensen ten diepste zijn overtuigd. Niet doden. Geen schade toebrengen. Geen overspel plegen. En voor sommigen dus ook: geen soorten laten uitsterven. Die principes zijn individueel, deels cultureel bepaald en op zich niet onveranderlijk. Maar roer je in die basiswaarden, dan roer je in het wezen van de mensen. Dat roept inderdaad emotionele reacties op. Soms heftige emotionele reacties. Je kunt dat overtuiging, geloof of religie noemen.
Economische waarde
P.220. “Zeldzame dingen zijn helemaal niet waardevol. Schaarse dingen zijn waardevol” (p.220). Dat is de opvatting van waarde uit de economische wetenschappen, en iets anders dan de juist genoemde basiswaarden uit de ethiek. Daar kunnen we wel wat mee. Bijvoorbeeld: mijn dochter is schaars, want mijn vraag is oneindig groter dan het aanbod. Ze is ook in economische termen extreem waardevol voor mij. Volgens de economische grondbeginselen zou dat tot uitdrukking moeten komen in de prijs die voor haar wordt betaald. Er is echter geen markt voor mijn dochter, en dus ook geen prijs – drie kamelen vind ik echt onvoldoende. Hetzelfde geldt voor soorten. Er is geen markt voor soorten, dus geen prijs. Toch zijn soorten schaars, want er is vraag naar. De panda, de tijger, de grutto, de ijsvogel, de walvis (nee, geen soort, ik weet het!), de das, de otter: er zijn mensen die ze willen houden en zich daarvoor inzetten. Maar er is geen markt voor, geen prijs. Ze zijn waardevol zonder prijs, wat iets anders is dan waardeloos.
Kiezen
“Misschien zijn die planten en dieren inderdaad alleen van waarde omdat we met z’n allen vinden dat ze van waarde zijn. Wees eerlijk: is een dergelijke waarde de waarde die u verwachtte?” (p.220). Jazeker. Per definitie. Zowel in economie als ethiek. Alles van waarde krijgt die waarde omdat er mensen zijn die die waarde toekennen. Vrouwenkiesrecht. Zelfbeschikking. Democratie. De nieuwse I-phone. Een aai over mijn bol. Een zonsondergang. Goud. De kleur indigoblauw. Van Gogh’s zonnenbloemen. Een echte zonnenbloem, opgekweekt uit een zaadje. Hoofddoekjes. En ook iets wat we ‘intrinsieke waarde’ noemen. Ik ben het volledig eens met de schrijver, maar noem het toch even omdat dit juist de kern is. Mensen vinden iets waardevol. Daar kunnen rationele argumenten voor zijn (bijvoorbeeld: als mensen niet van hun dochters zouden houden, dan zou de soort mens wellicht zijn uitgestorven – let wel, dit is geen doelgerichte of functionele verklaring, maar een die refereert aan de oorsprong van die waarde). Maar het kan ook een overtuiging zijn die lastig met economische of andere logica is te beargumenteren (bijvoorbeeld: ik houd van mijn dochter. Zo simpel is het).
De schrijver erkent dat ook, bijvoorbeeld op p.90, waar hem een maan mét leven leuker lijkt dan een maan zonder leven. “Waarom dat zo is kan ik moeilijk beargumenteren.” Uiteindelijk is een waarde geen eigenschap die inherent en aanwijsbaar aanwezig is in een object, maar een eigenschap die op basis van affectie wordt toegekend door een subject. We ‘kiezen’ wat we waardevol vinden. Ik kies voor mijn moeder, mijn vrouw, mijn dochter en (vooral de mooie, interessante, inspirerende) soorten als verschijningsvorm van de natuur.
Ten slotte
“Als iedereen plant- en diersoorten van waarde vind, dan wordt het tijd die door iedereen gedeelde mening eens aan de tand te voelen” (p.220). Maar waarom dan toch? Is het zo verkeerd om van een natuur met vele soorten te houden en deze te willen bewaren, ook voor de volgende generaties?
Tags: bas haring, begrippen, betekenis, biodiversiteit, biodiversity, dieren, economie, ethiek, filosofie, fotografie, leren, nature, natuur, natuurfoto, photography, plastic panda, soorten, taal, uitgestorven, uitsterven, visie, vogels, waarde, wildlife, zingeving, zoogdier

januari 24, 2012 om 9:57 pm |
Bas Haring gaat ook in op het instorten (of ‘omslaan’) van natuurlijke systemen, en zegt ‘het valt wel mee’. Aan de hand van de metafoor van het spelletje Jenga, waarbij blokjes uit een toren worden getrokken tot het torentje omvalt. Een bekende metafoor waar hij op reageert. Zijn redenering:
Hsd.12: Hoeveel soorten nodig zijn om een systeem draaiende te houden is onduidelijk. Maar veel soorten kunnen elkaars’ functie overnemen. Van de 20.000 soorten vlinderbloemigen (opm.HG: de ‘wetenschappelijke’ soorten) kunnen we best wat missen.
Hsd.13: Er zijn wel voorbeelden van ‘sleutelsoorten’ die een heel systeem kunnen laten veranderen. Maar de kans dat een soort zo’n sleutelsoort is, is niet zo groot. Veel natuur is bovendien niet fragiel, maar eerder een soort onkruid. Die kans op instorten door het verdwijnen van enkele soorten valt dus wel mee.
De redenering lijkt plausibel. Toch ben ik het niet eens met de conclusie ‘het valt wel mee’. Het spelletje Jenga is slechts een illustratie, een metafoor. Net als het woord ´systeem´. De natuur ´is´ geen systeem dat als een motor maar in één optimale toestand kan functioneren, maar de natuur doet zich aan ons voor als een systeem. Wij verklaren de natuur op die manier, en die verklaring helpt om de werkelijkheid te duiden. Het woord ´onkruid´ vind ik mooi gevonden, zelf denk ik altijd aan ´grote chaos´.
De metafoor is echter niet de hele werkelijkheid. Hij gaat uit van het verwijderen van telkens één soort uit een systeem dat verder intact blijft. In het echt is het spelletje onderdeel van iets groters. Verdwijnen meerdere soorten tegelijk. Is sprake van habitatverlies, milieuverandering, bejaging, versmalling van de genetische basis etctera, en soms alles tegelijk. Het uitsterven van soorten is eerder gevolg dan oorzaak. Dat de metafoor onvolkomenheden vertoont, wil nog niet zeggen dat alles okee is. (toevoeging 02-02-2012: lees ook eens het volgende blogje.) Het spelletje Jenga is misschien niet de enige oorzaak van het grote uitsterven, maar doet wel vrolijk mee. Zoals een longontsteking alleen niet fataal hoeft te zijn, maar dat in combinatie met andere zwakten wél kan zijn.
januari 24, 2012 om 2:33 pm |
Een interessante weergave van Harings boek, dat ik niet heb gelezen, maar waar ik nu veel meer van weet.
Ik gá dat boek ook niet lezen. Ik heb namelijk al vaker geconstateerd dat Haring meningen verkondigt over zaken waar hij geen verstand van heeft. Het lezen van zijn boek is daarmee nutteloos.
Haring heeft wel gelijk dat het niet zo veel uitmaakt als er enkele soorten verdwijnen. Er zijn echter – mede door toedoen van de mens – al honderden, zo niet duizenden soorten verdwenen en er gaan – op korte termijn én door toedoen van de mens – nog duizenden soorten verdwijnen.
Dat maakt dus wel uit: alle soorten, zo rond de veertig miljoen, kunnen alleen bestaan binnen een variabel evenwicht. De natuur herstelt het evenwicht wel weer wanneer het uit balans raakt.
Maar als er – ergens ligt het omslagpunt – te veel soorten verdwijnen, dan ontstaat er een onevenwichtige situatie die de natuur niet meer kan herstellen.
Dan verdwijnen zeer nuttige insecten (bijen en andere bestuivers), komt de zuurstofproductie in gevaar, daalt het zelfreinigende vermogen van de oceanen en kunnen volgens sommige wetenschappers zelfs oceaanstromingen tot stilstand komen, met desastreuze klimatologische gevolgen voor de hele natuur, inclusief de mens.
Kortom: het is goed als er zo veel mogelijk soorten in stand blijven.
Ik realiseer me dat moeite doen om de natuur in stand te houden een egoïstisch kantje heeft. Maar daar heb ik in dit geval geen moeite mee.
Verder is de natuur tegelijkertijd gruwelijk (een en al eten en gegeten worden) én prachtig (neem alleen maar de evolutionaire manier waar op alles is gegroeid, in elkaar grijpt en van elkaar afhankelijk is).